Een stukje geschiedenis... PDF Afdrukken E-mail

Hieronder kunt u een stukje geschiedenis van ons en het ontstaan van het bedrijf lezen. Dit artikel is tot stand gekomen door een door Rijk van Vulpen verzocht interview voor het paarden magazine "Het Showpaard" voor een uitgave begin 2008.

Kop Jansens verruilden bloemenwinkel voor Friezen.

Veertien jaar geleden werd het Zuid Hollandse Rotterdam verruild voor het pittoreske Wapse. Zo’n achttien jaar geleden werd de eerste Fries aangeschaft, waarna er zeer velen zouden volgen… In het Drentse Wapse is zo’n twee jaar geleden aangevangen met de nieuwbouw van het bijzonder fraaie stallencomplex van Sandra en Ted Kop Jansen en is inmiddels in de afrondingsfase beland. De aankleding van stallen, binnenbak, foyer en vergaderruimten ademen de sfeer uit van weleer, maar met alle voorzieningen van het heden. De nieuwbouw werd op gang gezet om in te spelen op de toekomst en nieuwe invulling te geven waarbij het paard als middelpunt staat. Het is mogelijk om hier nu onder andere (management) –trainingen en cursussen voor en door bedrijven te laten verzorgen. Deze worden onder andere gegeven door Emile Voest bekend van de door hem ontwikkelde Freestyle methodiek en zijn coaching van enkele bekende Olympische dressuurruiters. Vervolgens maakt trainings- en adviesbureau Outing Holland de transfer naar de dagelijkse werksituatie. Ook kunt u nu hier terecht voor o.a. (product) presentaties, clinic’s, workshops, vergaderingen en bijeenkomsten. Voor deze nieuwe ontwikkelingen hebben ze onlangs een evenement manager van de Hogere Hotelschool aangetrokken. Er worden ook kunstexposities, culinaire avonden (met het paard als middelpunt), evenementen met het Friese sportpaard centraal en veilingen georganiseerd worden. Deze activiteiten zullen plaatsvinden onder de naam Event Centre ’t Swaeneven. Voor de culinaire invulling hiervan wordt er nauw samengewerkt met de oud “chef-kok” van de Librije, Henk Nijehoving en een van de betere cateraars, Willem de Boer party services”. “De aankoop van onze eerste Fries gebeurde in een vlaag van verstandsverbijstering”, meent Ted Kop Jansen terugdenkend aan hun eerste aankoop. “Het begon als hobby. Je koopt er één en al snel volgt er nog één. Als mensen weten dat je Friezen hebt, dan ontstaat er ook al snel vraag naar en wil je weer wat verkopen.” Handel zit hem in de genen. In het Rotterdamse tijdperk, werd de kost verdiend met een bloemenzaak. Hoe mooi ook, maar bloemen kun je nu eenmaal niet allemaal zelf houden en dat geldt eigenlijk ook voor de Friezen. In totaal hebben ze momenteel 100 Friezen in eigendom en die zijn in principe ook allemaal te koop. Van deze 100 is ongeveer de helft ‘jong spul’. In het begin waren het vooral merries die aangeschaft werden, maar al snel volgde de eerste eigen dekhengst, dat was Anton Dit bleek een schot in de roos te zijn! Vervolgens moest in een hele korte tijd geleerd worden hoe sperma te vangen, te verwerken en te insemineren. Die kennis werd al snel vergaard en na Anton volgde Teade, werd Lukas uit Amerika teruggehaald en de laatste aanwinst is Tsjabring die op grond van zijn uitstekende sportresultaten tot de fokkerij werd toegelaten.

Toevalsproduct

De nadruk werd al snel verplaatst van de merries naar de sportpaarden. “Vanaf het begin vond ik merries leuk en interessant, maar de grootste uitdaging is toch wel de sport en handel in sportpaarden.” Al snel kreeg hij in de gaten, dat zijn talent vooral in de handel zat en niet in het zadel, waar hij tijdens zijn opleiding in Deurne al snel achter kwam. Zo werd daarom voor het uitbrengen van hun sportpaarden op wedstrijden Judith Pietersen aangetrokken als ‘wedstrijdruiter’. Naast haar zijn er inmiddels nog vier mensen fulltime in dienst, waaronder Judith’s zus Bineke, die de jonge paarden tot M-niveau rijdt, Hotze Brouwer die het zadelmak maken en betuigen als vaste werkzaamheden heeft en Jan Damhuis die voornamelijk zorg draagt voor de gebouwen en terreinen. Ted’s uitdaging ligt in het opsporen en aankopen van jonge talentvolle paarden, hiervoor rijdt hij zo’n 80.000 tot 100.000 kilometer per jaar. Het ‘jachtterrein’ besloeg voornamelijk Nederland, maar is de laatste jaren ook uitgebreid naar België en Duitsland, dit zoeken resulteerde de laatste drie jaar in zeer veel “eerste plaatsen” in verschillende competities en natuurlijk werd zo ook duidelijk dat de jonge opgespoorde paarden goed mee deden in de sport. Zij wonnen onder andere twee keer de Euro Bottle Cup en twee keer bezetten zij de tweede plaats. Het leukste voor de handelsstal is toch wel dat zij op de Centrale KFPS keuring al drie jaar op rij met de titel “Het meest talentvolle dressuurpaard” naar huis gingen. Dit geeft aan dat ze op de goede weg zitten. De ambities liggen hoog en uiteindelijk willen ze met hun paarden en amazone Judith Pietersen naar de Grand Prix toe. Dit gaat natuurlijk niet vanzelf ze worden hierin bijgestaan door vakkundige trainers. Het paard wat momenteel op het hoogste niveau loopt is natuurlijk Tsjabring, namelijk Prix St.George met een score van 68%. Favoriete bloedlijnen zijn er wat Ted betreft niet. “Het kan wel zo zijn dat er van bepaalde hengsten gemiddeld betere paarden komen, maar die absolute topper blijft nog altijd een toevalsproduct en kan daarom van iedere hengst komen. Van Jasper is de kans bijvoorbeeld wel groter dan van een hengst die maar 20 of 30 kansen per jaar krijgt. Er zijn wel hengsten die gemiddeld mooiere paarden brengen, maar dat zegt nog niks over het vermogen om te kunnen presteren. In Ted’s beleving is het vooral de kracht van de moederlijn die bepaalt hoeveel vermogen een paard heeft. Dat wordt te vaak onderschat!” Een talentvol paard probeert Ted te vinden voordat het op wedstrijden is uitgekomen. “Ik ben ook wel op wedstrijden wezen kijken om daar paarden te kopen, maar dat valt in de praktijk erg tegen. De kwaliteit valt nogal eens niet mee en de opvallende paarden zijn daar vaak niet meer te koop. Soms word ik getipt door mensen die een goed paard weten te staan en weten dat ik die altijd kan gebruiken. Ook op de hengstenkeuring zijn vaak talentvolle paarden te vinden. Ik zit daar vijf dagen aantekeningen te maken. Een groot gedeelte van de hengsten waar ik wat in zie mag dan door naar de tweede of derde bezichtiging, maar in de praktijk blijken veel van de meest talentvolle paarden niet aangewezen te worden voor het verrichtingsonderzoek…” Niet alleen jonge paarden, maar ook worden er jaarlijks nog zo’n vijftien veulens aangeschaft voor opfok voor de hengstenkeuring. “Van zo’n jaargang veulens blijven gemiddeld een stuk of drie goede paarden over, maar die echte aparte ontbreekt daarbij meestal. Ik volg bij het kopen van veulens mijn eigen smaak. Ik heb een jaar de inspectie gevolgd door alleen maar eerste premie veulens te kopen, maar dat bleek m’n slechtste jaar te zijn.”

Snappen

Verreweg het grootste deel van de paarden die verkocht worden, gaat naar het buitenland. “Het buitenland is doorgaans eerder bereid om een apart paard op hun juiste waarde te schatten en dit vervolgens ook te betalen. In Nederland leefde lang de gedachte dat je voor vier of vijfduizend euro wel een apart paard kon kopen. Inmiddels zijn zij er hier ook wel achter dat dat niet kan. Hierdoor komt de handel binnen Nederland wel meer op gang, maar het grootste deel gaat nog altijd naar het buitenland.” En dat zijn er vanuit onze stal ongeveer 100 per jaar.Met het KFPS heeft Ted al vele jaren een ‘haatliefde verhouding’. In de beginjaren dat hij met de export begon is dat, als hij op de situatie terugkijkt, waarschijnlijk ontstaan. “De laatste jaren is ons stamboek bestuurlijk de goede weg ingeslagen vind ik, maar op het fokkerijbeleid en de inspectie hebben ze te weinig grip. Het inspectieteam bestaat uit een bepaald ‘vrienden en kennissenclubje’ uit een drietal nabij gelegen dorpen en worden volgens mij vanuit Joure aangestuurd. Het zijn daardoor maar een paar mensen die het hele fokbeleid bepalen, ondanks het feit dat er ook een afdeling bestaat in het KFPS dat hier sturing aan zou moeten geven. Ik heb nogal eens kritiek gehad en als ik dan met een paard naar de keuring kom, dan krijg ik dat terug. Dat is eigenlijk al ontstaan, toen ik begon met paarden naar Amerika te verkopen. Als je de Friezen in Amerika, of welk land dan ook, wil promoten, dan moet je in mijn beleving het beste materiaal daarheen verkopen, vooral ook als ze er goed voor betalen. Toen ik begon met de handel in Amerika waren er ook inspectie/juryleden die paarden daarheen verkochten en diezelfde paarden daar later weer moesten beoordelen. Ik maakte in die tijd ook mee dat op een keuring daar, waarbij 2 inspectieleden aanwezig waren er 1 inspectielid de ring verliet omdat er een merrie binnenkwam waarvan deze de vader had gefokt. Vervolgens maakte de andere inspecteur deze merrie voorlopig model. Ik heb toen tegen het betreffende inspectielid gezegd, dat zodra ze die merrie definitief model zouden maken, ik haar ongeacht wat ze zou moeten kosten, zou kopen en in Nederland op de keuring zou presenteren zodat de Nederlandse fokkers konden zien hoe er in het buitenland met het beleid werd omgesprongen. Dat werd me uiteraard niet in dank afgenomen. Datzelfde inspectielid zei me, dat goed materiaal in Nederland moest blijven en bij ons ook wel te verkopen was en dat de mindere kwaliteit goed genoeg was voor het buitenland. Sindsdien botert het niet echt lekker tussen de inspectie en mij. Ik ben nogal direct en daar is niet iedereen van gediend. Dat voorval was ongeveer in de tijd dat wij Anton kochten. Vanaf het moment dat we hem kochten, deugde er op de keuring niks of niet veel meer aan hem. Daarom wilde de inspectie na zijn afstammelingenkeuring Anton eerst afkeuren maar hebben hem uiteindelijk toch maar een dekbeperking opgelegd. Maar de praktijk laat zich niet dwingen, op vrijwel alle terreinen staat hij bovenaan in de indexen! Met Teade was het al niet beter en toen we Lukas terughaalden, werd ons verteld dat die hengst niet meer in de huidige fokkerij paste en daarom in het buitenland had moeten blijven… Met Tsjabring is het hetzelfde liedje als met de voorgaande drie. Het wordt op de man gespeeld heb ik het gevoel. Aan de ene kant doet me dat wel zeer, maar het meest vervelende vind ik nog dat het oneerlijke voorlichting is naar de fokkers toe.”

Gewaardeerd

In de sport worden de paarden met het voorvoegsel ‘Kop Jansen’ gewaardeerd en zijn geregeld op de hoogste posities terug te vinden. In de eerste drie jaar van het bestaan van de Eurobottle Cup, het scouting evenement voor jonge paarden met dressuur aanleg, zijn ze geregeld bovenaan te vinden, over deze periode heeft ‘Kop Jansen’ twee maal de kampioen en twee maal de reserve kampioen geleverd. Ook tijdens de kampioenschappen voor Friese dressuurpaarden te Kootwijkerbroek, werd al menig ererozet in ontvangst genomen. “Dat is het voordeel van de sport: daar heb je te maken met juryleden welke op hun terrein ook de nodige kennis van zaken hebben vergaard, zij hebben zich gespecialiseerd op het onderdeel dressuur. Naast deze wedstrijden, hechten we er veel waarde aan, onze paarden tussen de KWPN-ers uit te brengen, dan heb je de beste vergelijkingsmogelijkheden hoe ze er qua africhting in vergelijking met KWPN-ers voor staan.”Met betrekking tot de sport- of gebruiksaanleg in het verrichtingsonderzoek, zou Kop Jansen graag een aantal zaken anders zien. “De mensen die de paarden aan de hand beoordeeld hebben, beoordelen hen ook tijdens de 70 dagen test in het gebruik. Als jury/inspectieleden hebben ze bepaalde vaardigheden en kennis van zaken. Maar in de sport hebben ze zelf nooit iets gepresteerd van enige importantie. Laat het beoordelen van deze 70 dagen test over aan mensen met veel kennis van zaken welke absoluut gespecialiseerd zijn in dit specifieke onderdeel van de sport en daarin hun sporen dubbel en dwars verdiend hebben. Laat ze bijvoorbeeld Sjef Jansen eens vragen om het dressuurgedeelte te beoordelen en vraag voor het mennen bijvoorbeeld IJsbrand Chardon. Dit zou de waarde van deze 70 dagen test aanzienlijk verhogen. Wil dat dan eens niet zelf doen, het aanwijzen is al een inspectie aangelegenheid, dus wat kan er dan feitelijk misgaan tijdens het onderzoek? Ted zou er overigens voorstander van zijn het verrichtingsonderzoek niet langer in de huidige vorm te laten plaatsvinden. Hij heeft sowieso het gevoel dat niet alle betrokkenen dit serieus nemen, als bijvoorbeeld de trainingsleider midden in het onderzoek twee weken op vakantie gaat…”Zelf heeft hij zeven maal een jonge hengst aangewezen gehad voor het verrichtingsonderzoek, waarvan de laatste vorig jaar. Uit deze groep is uiteindelijk de dekhengst Teade voortgekomen. Deze stond gedurende het onderzoek op naam van zijn fokker waar hij hem samen mee in eigendom had. Alleen Teade haalde de stamboek inschrijving. De andere 6 paarden haalden Ted met serieuze gezondheidsproblemen terug uit het test centrum.“Toen ik onze laatste hengst aanleverde, heb ik de keuringsarts gevraagd extra goed op te letten of de hengst op alle onderdelen gezond was. Dat bleek inderdaad zo te zijn en hij wilde weten waarom ik hem dat zo nadrukkelijk vroeg. Ik heb hem toen uitgelegd, dat we de zes hengsten die we voor deze afleverden, alle zes kreupel op konden halen en dat het met deze wel niet anders zou aflopen. Kort daarna kregen we alweer een telefoontje, dat we de hengst op konden halen omdat hij kreupel was…desondanks is er toch nog een middag volledig doorgetraind met alle gevolgen van dien.

Zelf inhuren

“Het verrichtingsonderzoek kost een slordige 4000 euro. Voor dat geld kunnen de eigenaren zelf ook een ruiter of rijder inhuren om hun hengst klaar te maken. Op die manier houdt een eigenaar zicht op wat er met zijn paard gebeurd en kan beoordelen of dit verantwoord is. Laat dan vervolgens iedere week de hengsten op een centrale plaats beoordelen. Wil men er als stamboek van overtuigd zijn dat er niks ongeoorloofds met een hengst gedaan is, laat dan regelmatig het bloed controleren! Red een hengst het niet, dan is het de ‘eigen schuld’ van een eigenaar. Nu ben je aan de grillen van anderen overgeleverd.” Op deze manier kan je heel gedoseerd met je paard omgaan, per dag bekijken. Je zult zien dat eigenaren zelf hun paarden terugtrekken indien deze niet presteren. Je houdt een gezond paard over omdat je veel sneller kan beslissen. Bovendien praat je over enorme kapitalen, indien je wel een talentvol paard hebt. Dit moet je niet willen overlaten aan mensen die slechts ingehuurd worden om hun ding te doen. Bovendien haal je bij het stamboek een grote belasting, druk en kritiek weg. “Om hengsten goed te keuren heeft men een paar jaar geleden de regeling in het leven geroepen dat dit ook op grond van de sportprestaties kan. Tjabring die we samen met Dirk Post in eigendom hebben, is daar een voorbeeld van. Ik vind het alleen erg jammer, dat dergelijke hengsten op de keuring weer aan een touwtje gepresenteerd moeten worden. Het gros van deze sport paarden is dat niet meer gewend, en zijn helemaal op de hulpen van de ruiter ingesteld. Laat daarom deze hengsten zien op de manier waarin ze goed zijn en dat is in dit geval onder het zadel. Vrijwel alle hengsten die het goed doen in de sport, kregen op de afgelopen hengstenkeuring een tweede premie! Ik denk dat we als stamboek toch meer in de richting van een sportpaarden stamboek moeten gaan. Er is nu A gezegd om op grond van sportprestaties goed te keuren, zeg dan ook B door de hengsten de mogelijkheid te geven zich op die manier te presenteren. Zoals dergelijke hengsten zich nu laten zien, is het voor het stamboek zelf ook een blamage.” Om in de sportkwaliteiten van een hengst inzicht te krijgen, heeft het stamboek onlangs een hengstencompetitie in het leven geroepen. Nieuw goedgekeurde hengsten dienen zich in een tijdsbestek van twee jaar in drie disciplines in competitieverband met leeftijdsgenoten te meten. Een groot aantal hengsten zag men na het verrichtingsonderzoek niet anders meer terug dan aan het bekende touwtje tijdens de hengstenkeuring, wat veel fokkers er overigens niet van weerhield massaal achter dergelijke hengsten aan te lopen. “Dat hengsten verplicht wordt zich in het gebruik te presenteren is een heel goede zaak. Het doel moet wat mij betreft zijn om een hengst op zo hoog mogelijk niveau, in welke discipline dan ook, geklasseerd te krijgen in de sport. Dat moet als stamboek ook je doel zijn. Daarom zie ik er geen heil in, dat alle hengsten zich in drie disciplines moeten tonen. Des te hoger het niveau van een hengst is, des te gespecialiseerder de training en verrichtingen zijn. Wat mij betreft heeft een Grand Prix dressuurhengst niks voor een sjees te zoeken, net zomin als een ereklasse paard onder het zadel de sterren van de hemel hoeft te lopen. Ik zou er meer in zien als het stamboek eigenaren van hengsten die een bepaald traject ingezet hebben van dressuur, tuigen of mennen hun daarin juist verder zou stimuleren en ondersteunen.” Door op het hoogste niveau hengsten te laten presenteren in hun discipline, kunnen fokkers ook doelgerichter hun keuzes maken. Het is niet voor niets, dat de markt van de veulens de laatste jaren steeds verder ingezakt is.” Ik snap hiervan dan ook de toegevoegde waarde absoluut niet. Onze stamboek directeur welke graag alles kopieert van het KWPN moet toch ook weten dat je een paard als Salinero van Ankie van Grunsven niet voor een sjees kan laten presteren (omdat dat zogenaamd meer inzicht zou moeten geven over de veelzijdigheid van dit paard). Je zou dan de hele wereld van topdressuurruiters, toptrainers, sponsoren en de allerbeste juryleden “Ja, ik denk zelfs dat je alle moederstamboeken op de wereld over je heen zal krijgen”. En hiermee geef je feitelijk weer dat de 70 dagen die de test nu duurt en welke de toekomstige dekhengsten moeten ondergaan en je als inspectie nog steeds geen beeld heb kunnen vormen waarin deze hengsten nou feitelijk het meeste aanleg voor hebben dan is dit toch wel droevig gesteld. Na hoeveel jaar kan je dan als stamboek een beeld vormen waar welke hengst het meest geschikt voor is? Dit is voor mij onbegrijpelijk! Dit geeft duidelijk weer dat onze inspectie leden zich niet met de 70 dagen, waarin onze toekomstige dekhengsten worden blootgesteld aan specifieke dressuur, men of tuig onderdelen, zich zouden moeten inlaten. Uiteraard moeten ze dit vanaf de zijlijn wel intensief blijven volgen het blijft natuurlijk altijd wel interessant.

Ondanks dat Ted nogal wat, overigens wel onderbouwde, kritische noten kraakt, is hij niet rancuneus in de richting van het stamboek. “Ik probeer alles wat goed is te kopen en vervolgens weer te verkopen. Op die manier promoot ik ook internationaal het Friese paard en daarmee ook het stamboek. De sfeer tussen het stamboek en mij is jammer genoeg afstandelijk te noemen, ik vind dit spijtig, van mij hoeft dit niet. Eigenlijk zouden alle Friezenliefhebbers gezamenlijk het Friese paard moeten promoten op die manier waarop ieder individueel Fries paard het best tot zijn recht komt. Daar hebben fokkers, dekstations, gebruikers en het stamboek allen baat bij. Door een betere samenwerking, kan alleen maar een win-win situatie ontstaan.” Uiteraard vindt hij dat er ook veel positieve ontwikkelingen gaande zijn en deze worden door hem waar mogelijk dan ook volledig ondersteund

De intentie is er, maar voor dit ideaalbeeld realiteit is, zal er nog heel wat water door de spreekwoordelijke zee stromen…

 

Tekst & foto Rijk Van Vulpen

Ted Kop Jansen op de Voorpagina van Het Showpaard